Bij het woord Moedjahedien (Arabisch voor ‘strijders’) denk ik in eerste instantie aan het Midden Oosten. Een associatie met de Bosnische Oorlog komt absoluut niet in mij op. De Moedjahedien zijn islamitische strijders die zich beschouwen als deelnemers aan een heilige oorlog. Ze vechten voor hun geloof.
Tijdens de patrouille door de ontzettend mooie Bila vallei komt de tolk met een verhaal over de betrokkenheid van de Moedjahedien in de Bosnische Oorlog. De strijders kwamen naar Bosnië om hun moslimbroeders bij te staan.
De tolk leidt ons naar het hoger gelegen dorp Orasac. In dit dorp was in de oorlog het ‘hoofdkwartier’ van de Moedjahedien in centraal Bosnië gevestigd. De weg naar het dorp is dramatisch slecht. Onze Toyota RAV4 heeft er gelukkig weinig moeite mee.
Boven aangekomen kijk ik naar de resten van een “spookdorp”. Het dorp is helemaal verlaten en biedt een mistroostige aanblik. In Orasac woonden Bosnische Kroaten die middels etnisch zuiveren allemaal zijn vermoord in de oorlog. Al luisterend naar het verhaal van de tolk realiseer ik me dat hier verschrikkelijke en misselijkmakende dingen zijn gebeurd. Mannen, vrouwen en kinderen, ze hadden geen schijn van kans.
Ergens op de weg door het dorp sta ik even alleen te kijken naar de overblijfselen van het dorp. Denkend aan wat hier is gebeurd lopen de rillingen over mijn lijf. Een oorlog haalt het slechtste uit de mens naar boven. Empathisch vermogen laat me even in de steek.
Vanuit Orasac rijden we verder naar Bikosi, een eveneens verlaten dorpje waar enkele tientallen merendeels jonge Bosnische Kroaten werden geëxecuteerd. We nemen een kijkje bij het monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers. Nagenoeg iedere regel op de gedenksteen eindigt met ‘1993’.
In gedachten ervaar ik vanaf de plaats van het monument het overweldigende uitzicht over de vallei. Er gaat een zekere rust van uit. Ik hoor alleen nog maar de wind die door de bomen waait. Verder is er niets, helemaal niets.
